Voltooid leven

Ik had al gemerkt dat ze niet helemaal in orde was. Een beetje grieperig, zei ze. Ik kwam er bijna elke zaterdag. Graag. Om te voetballen met wat vrienden, een hapje mee te eten en om haar gezelschap te houden. Want ze was al sinds 1991 alleen en we hadden wel wat samen. Goddeloosheid bijvoorbeeld. Strikt geheim.
Twee dagen later had ik haar aan de lijn. Alarmbellen. Als ma de telefoon pakte dan was het goed mis. Ze gaf normaal gesproken pas na twintig rondjes radbraken toe dat het een beetje zeer begon te doen. Dus liet ik direct alles vallen en nam lijn 31. Gelukkig had ik de huissleutel. Want binnen trof ik een zielig hoopje mens aan in de stoel die we voor de laatste dagen van mijn vader hadden gekocht. Echt niet instaat om de deur voor me open te doen.
Het idee om de huisarts te bellen was natuurlijk slecht. Haar eigen dokter, mateloos impopulair, was weer eens op vakantie. En de vervanger wou ze niet lastig vallen. Ze wilde nooit iemand lastig vallen. Daardoor viel ze mij regelmatig lastig.
Hoe ze boven in bed is beland die avond weet ik niet meer. ’s Nachts heb ik haar kermend op de postoel gehesen. Het is een ontnuchterend moment om je moeder een geheel verzorgd toiletbezoek cadeau te moeten doen. De ommekeer. Het materiaal in de steek leek trouwens meer op chemisch afval dan op urine.
De volgende dag toch maar de dienstdoener ingeschakeld. Moest wel aandringen. Het effect van de ‘witte jas’ leverde een herrijzenis, een ‘dag dokter’ en een ‘nee hoor, gaat goed’ op. Pas toen ik door haar beleefde leugen in blinde woede ontstak, brak ze en rolden de tranen.
Volledig uitgedroogd. Afgevoerd in een ambulance. Drie weken ziekenhuis. Pseudojicht en reumatische artrose. Helse pijn. Om thuis ’s nachts niet naar de plee te hoeven had ze al maanden bijna niets gedronken. Daar was goed over nagedacht.
Zelfstandig wonen was daarna eigenlijk geen optie meer. Toch deed ze voor tafeltje dekje en thuiszorg gewoon niet open. Dus was mijn voetbaltas iedere zaterdag gevuld met boodschappen, kliekjes boerenkool, hutspot en magnetronbami. Telkens als ik de sleutel van de voordeur omdraaide verwachtte ik ma languit in de gang.
Eenmaal in een verzorgingshuis herhaalde het zelfverdrogingsritueel zich elk half jaar. De thee ging in de sanseveria. Zes jaar lang fikse blaasontstekingen met bijbehorend delier. In de tussentijd had ze ook nog een periode suikerziekte, vier keer een heupluxatie, een operatie voor een losgeraakt stukje botcement in haar bil, een aneurysma aan de aorta ter grote van een pedaalemmerzak en een sepsis die de laatste negen maanden niet goed meer te behandelen was. Een bestaan vol hallucinaties, angst, pijn en totale verwarring.
Mijn moeder was allang klaar met leven. Maar ze werd nog elke ochtend wakker. Euthanasie kon ze ons niet aandoen en aan de complicaties op de lijst ‘niet meer behandelen bij‘ is ze niet overleden. Ze woog nog ongeveer een halve mud aardappelen toen ze dood ging.
Op de vraag of ze als ketter wel een kerkelijke begrafenis wilde had ze al jaren geleden antwoord gegeven. ‘Ik zal d’r toch deurhin motte anders kom ik nie achter de heg’. Een gezamenlijk graf hebben ze, pa en ma. Goedkoper.